24-11-2016 - De Groenzoom gaat in winterslaap

De Groenzoom gaat in winterslaap (©JanSmith-161120)

De Groenzoom ligt onder een dikke luie mistdeken. Geen wonder, het is half november, eigenlijk werd het hoog tijd voor dit weertype. 

Alle geluiden worden door de laaghangende bewolking gedempt. Kleuren zijn ingetogener en er zijn meer grijze en bruine tinten. Grote groepen zwanen en meerkoeten verzamelen zich in de brede boezems. Op de grasvlakte foerageren nog wat grote witte reigers en ooievaars. Langs de waterkant staat een, diep in zijn verenpak weggedoken, blauwe jongen. Hij staat daar maar te staan; vliegt niet eens weg op mijn nadering. 
 
In de mist loopt een eenzame sporter, hij of zij is nauwelijks te onderscheiden, net als de kleur van de sportkleding. Rietpluimen hangen lusteloos mooi te zijn. De draden van een spinnenweb hebben onder het gewicht van de mistdruppeltjes al hun veerkracht verloren - geen insect dat hierin nog gevangen wil worden en de ganzen doen zich nog snel te goed aan het laatste gras. 
 
Een week later baadt de Groenzoom in het licht van de frisse najaarszon. 
Hoe anders ziet het landschap er uit dan een week geleden. Inderdaad is de Beheercombinatie Groenzoom hard bezig geweest: het glanshaverhooiland langs het Pieter Bregmanpad ligt er gladgeschoren bij. Vanaf het duoduct van de Windaassloot kijk ik uit over een groot deel van de noordelijke Groenzoom. Aan weerszijden van de N470 zijn alle velden, bermen en slootkanten kaal; winterklaar.
 
 
Het gras kleurt in deze tijd langzaam naar prachtige bruine herfsttinten die langzaam de overhand krijgen. Je merkt dat de dagen korter worden en dat de zon altijd weer wat lager boven de kim staat dan je denkt; de tijd vliegt als ik hier ronddool. Ik sta een tijdje stil op een van de witte bruggen en kijk uit over dit prachtige stukje natuur. In de lucht staat een torenvalk te bidden. Grote zwarte kraaien lopen parmantig over de gemaaide grond. Canadese ganzen gaan luid gakkend op de wieken. Slobeenden doen een dutje en een smient maakt zich zwemmend uit de voeten. 
 
Door alle alarmerende berichten over een mogelijke vogelgriepepidemie speur ik onwillekeurig de oevers van de plassen, vaarten en sloten af op zoek naar mogelijke slachtoffers. Ik ontdek er geen, stel ik gerustgesteld vast, maar ik neem me voor om de komende tijd alert te blijven. Ineens merk ik dat ik te lang heb stilgestaan en dat de wind is aangewakkerd tot een stevige kille bries;  de eerste najaarsstorm is in aantocht. Ik voel de kou door mijn dikke jas heen, doe de lensdoppen op mijn kijker en camera en trek mijn handschoenen aan. Dan stap ik op mijn fiets en trap wat harder dan normaal om een beetje warm te worden. Op naar huis, op naar de heerlijke dampende pan boerenkool met worst die op me wacht. 
   
Alle geluiden worden door de laaghangende bewolking gedempt. Kleuren zijn ingetogener en er zijn meer grijze en bruine tinten. Grote groepen zwanen en meerkoeten verzamelen zich in de brede boezems. Op de grasvlakte foerageren nog wat grote witte reigers en ooievaars. Langs de waterkant staat een, diep in zijn verenpak weggedoken, blauwe jongen. Hij staat daar maar te staan; vliegt niet eens weg op mijn nadering. 
 
In de mist loopt een eenzame sporter, hij of zij is nauwelijks te onderscheiden, net als de kleur van de sportkleding. Rietpluimen hangen lusteloos mooi te zijn. De draden van een spinnenweb hebben onder het gewicht van de mistdruppeltjes al hun veerkracht verloren - geen insect dat hierin nog gevangen wil worden en de ganzen doen zich nog snel te goed aan het laatste gras. 
 
Een week later baadt de Groenzoom in het licht van de frisse najaarszon. 
Hoe anders ziet het landschap er uit dan een week geleden. Inderdaad is de Beheercombinatie Groenzoom hard bezig geweest: het glanshaverhooiland langs het Pieter Bregmanpad ligt er gladgeschoren bij. Vanaf het duoduct van de Windaassloot kijk ik uit over een groot deel van de noordelijke Groenzoom. Aan weerszijden van de N470 zijn alle velden, bermen en slootkanten kaal; winterklaar.
 
 
Het gras kleurt in deze tijd langzaam naar prachtige bruine herfsttinten die langzaam de overhand krijgen. Je merkt dat de dagen korter worden en dat de zon altijd weer wat lager boven de kim staat dan je denkt; de tijd vliegt als ik hier ronddool. Ik sta een tijdje stil op een van de witte bruggen en kijk uit over dit prachtige stukje natuur. In de lucht staat een torenvalk te bidden. Grote zwarte kraaien lopen parmantig over de gemaaide grond. Canadese ganzen gaan luid gakkend op de wieken. Slobeenden doen een dutje en een smient maakt zich zwemmend uit de voeten. 
 
Door alle alarmerende berichten over een mogelijke vogelgriepepidemie speur ik onwillekeurig de oevers van de plassen, vaarten en sloten af op zoek naar mogelijke slachtoffers. Ik ontdek er geen, stel ik gerustgesteld vast, maar ik neem me voor om de komende tijd alert te blijven. Ineens merk ik dat ik te lang heb stilgestaan en dat de wind is aangewakkerd tot een stevige kille bries;  de eerste najaarsstorm is in aantocht. Ik voel de kou door mijn dikke jas heen, doe de lensdoppen op mijn kijker en camera en trek mijn handschoenen aan. Dan stap ik op mijn fiets en trap wat harder dan normaal om een beetje warm te worden. Op naar huis, op naar de heerlijke dampende pan boerenkool met worst die op me wacht. 
   
Alle geluiden worden door de laaghangende bewolking gedempt. Kleuren zijn ingetogener en er zijn meer grijze en bruine tinten. Grote groepen zwanen en meerkoeten verzamelen zich in de brede boezems. Op de grasvlakte foerageren nog wat grote witte reigers en ooievaars. Langs de waterkant staat een, diep in zijn verenpak weggedoken, blauwe jongen. Hij staat daar maar te staan; vliegt niet eens weg op mijn nadering. 
 
In de mist loopt een eenzame sporter, hij of zij is nauwelijks te onderscheiden, net als de kleur van de sportkleding. Rietpluimen hangen lusteloos mooi te zijn. De draden van een spinnenweb hebben onder het gewicht van de mistdruppeltjes al hun veerkracht verloren - geen insect dat hierin nog gevangen wil worden en de ganzen doen zich nog snel te goed aan het laatste gras. 
 
Een week later baadt de Groenzoom in het licht van de frisse najaarszon. 
Hoe anders ziet het landschap er uit dan een week geleden. Inderdaad is de Beheercombinatie Groenzoom hard bezig geweest: het glanshaverhooiland langs het Pieter Bregmanpad ligt er gladgeschoren bij. Vanaf het duoduct van de Windaassloot kijk ik uit over een groot deel van de noordelijke Groenzoom. Aan weerszijden van de N470 zijn alle velden, bermen en slootkanten kaal; winterklaar.
 
Het gras kleurt in deze tijd langzaam naar prachtige bruine herfsttinten die langzaam de overhand krijgen. Je merkt dat de dagen korter worden en dat de zon altijd weer wat lager boven de kim staat dan je denkt; de tijd vliegt als ik hier ronddool. Ik sta een tijdje stil op een van de witte bruggen en kijk uit over dit prachtige stukje natuur. In de lucht staat een torenvalk te bidden. Grote zwarte kraaien lopen parmantig over de gemaaide grond. Canadese ganzen gaan luid gakkend op de wieken. Slobeenden doen een dutje en een smient maakt zich zwemmend uit de voeten. 
 
Door alle alarmerende berichten over een mogelijke vogelgriepepidemie speur ik onwillekeurig de oevers van de plassen, vaarten en sloten af op zoek naar mogelijke slachtoffers. Ik ontdek er geen, stel ik gerustgesteld vast, maar ik neem me voor om de komende tijd alert te blijven. Ineens merk ik dat ik te lang heb stilgestaan en dat de wind is aangewakkerd tot een stevige kille bries;  de eerste najaarsstorm is in aantocht. Ik voel de kou door mijn dikke jas heen, doe de lensdoppen op mijn kijker en camera en trek mijn handschoenen aan. Dan stap ik op mijn fiets en trap wat harder dan normaal om een beetje warm te worden. Op naar huis, op naar de heerlijke dampende pan boerenkool met worst die op me wacht. 
   
 

« terug